Corona en voorlopige hechtenis

Een paar jaar geleden gaven een paar Rotterdamse rechters een kijkje in de keuken bij de toepassing van voorlopige hechtenis. Wat er gezegd werd stemde tot nadenken. Strafrechtadvocaten voelden zich gesteund in hun opvatting dat verdachten vaak wel erg gemakkelijk werden opgesloten in afwachting van hun proces. In de wet is vastgelegd dat rechters een gegronde reden moeten hebben om iemand preventief vast te zetten. Maar de voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn in het Wetboek van Strafvordering bijzonder vaag gehouden. De bedoeling is dat de rechter de vage norm in de – uiteraard – altijd verschillende zaken concreet maakt. Het gevolg in de praktijk is dat een rechter kan beginnen met de beslissing dat hij een verdachte wil vasthouden om vervolgens de argumentatie erbij te vinden. Zo is één van de wettelijke voorwaarden dat er tegen een verdachte ernstige bezwaren bestaan, er moet meer zijn dan alleen een verdenking. Maar dit onderscheid wordt bijna nooit gemaakt. Ik loop al heel lang mee maar niet vaak heb ik een rechter horen zeggen dat hij wel een verdenking aanneemt maar dat de ernstige bezwaren er niet zijn.

Rechters kunnen ook gemakkelijk herhalingsgevaar construeren, reden om iemand vast te zetten. Bij een first offender wordt dat dan dat het delict (dat nog niet bewezen is!) lucratief is zodat voortzetting van het (niet bewezen) delict in de rede ligt.
De beslissingsvrijheid van de rechter is nog groter bij de beoordeling van een schorsingsverzoek. De rechter gaat dan namelijk het persoonlijk belang van de verdachte afwegen tegenover het algemeen belang. Hoe dat moet staat nergens.
Het betoog van de Rotterdamse rechters hield in de kern in dat het anders moest, alleen daadwerkelijk preventief opsluiten wanneer het echt niet anders kan. Een uitgangspunt dat overigens helemaal in lijn is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het betoog kreeg hier en daar een vervolg in de praktijk.
Een andere ontwikkeling van de laatste jaren is dat verdachten, ook gedetineerde, steeds langer op de inhoudelijke behandeling van hun strafzaak moeten wachten.
Die langere wachttijd, gecombineerd met een kritisch kijk op het fenomeen voorlopige hechtenis bij een deel van de rechterlijke macht leidt met regelmaat tot schorsing. Na zes maanden nog geen zicht op een zittingsdatum is daarbij een criterium, ook in zware zaken. Om een paar voorbeelden van zware beschuldigingen en toch schorsing te noemen:

  • invoer 1000 coke: schorsing na 4 maanden
  • georganiseerde gijzeling gedurende 3 dagen: schorsing na 6 maanden
  • uitvoer vedomi via “postorder”, wapens, voorbereiding plofkraken, witwassen,
    heling: schorsing na 7 maanden
  • bezit 130 coke, zware vuurwapens, witwassen: schorsing na 6 maanden
  • uitvoer vedomi via “postorder”, witwassen €5 miljoen: schorsing na 6 maanden.

Rechters die een schorsingsverzoek afwijzen doen dat vaak (zeker niet altijd) ongemotiveerd met het mantra dat het persoonlijk belang van de verdachte moet wijken voor het algemeen belang. Dat persoonlijk belang speelde in de voorbeelden hierboven geen enkele rol, behalve dan het belang om de berechting in vrijheid te mogen afwachten. Maar dat is nu echt een belang van elke verdachte in voorlopige hechtenis.

Helaas hebben de Rotterdamse rechters niet overal een luisterend oor gevonden, veel rechters blijven erg scheutig met de voorlopige hechtenis. Met als zeer kwalijk gevolg dat de toepassing van de voorlopige hechtenis het karakter van een loterij heeft gekregen. Tegenover bovenstaande voorbeelden kan ik even zoveel zaken noemen waarbij met veel lichtere beschuldigingen niet werd geschorst. Ook binnen dezelfde rechtbank.
Dit verschil doet zich nu ook voor bij de mate waarin rechters de Coronaproblematiek meewegen bij schorsingsbeslissingen. Soms weegt die zwaar, soms weegt die niets.
Daarbij hoef ik u niet uit te leggen hoe heftig deze problematiek er voor gedetineerden inhakt. Geen bezoek, angst voor besmetting, gebrekkig contact met de advocaat en geen of gebrekkige strafprocessen, om maar wat te noemen.

Het zou goed zijn wanneer rechters er in het algemeen wat meer oog voor zouden krijgen dat de huidige toepassing van de voorlopige hechtenis een zekere gelijkenis met een loterij niet kan worden ontzegd. Om vanuit die observatie tot de conclusie te komen dat de extra impact van de pandemie voor gedetineerden reden moet zijn om de drempel voor voorlopige hechtenis over de hele linie op te hogen. Heel simpel: sneller schorsen, het persoonlijk belang daarbij is evident. En bij straftoemeting kan een oud principe van stal gehaald worden: Tropenjaren (lees: Coronajaren) tellen dubbel.
Kan dat ook in de besprekingen worden meegenomen?

Peter Plasman

Peter Plasman

strafrechtadvocaat bij Plasman Advocaten