Adder onder het gras

Het begin van de behandeling ter terechtzitting in strafzaken verloopt al sinds mensenheugenis via een vast patroon. Het formele begin is het moment waarop de bode de zaak buiten de zaal – meestal bij de deur – uitroept. Aan dat uitroepen door de bode, wanneer dat in eerste aanleg gebeurt, zit een niet onbelangrijke consequentie. Vanaf dat moment kan de officier van justitie de dagvaarding niet meer intrekken, de rechter beslist verder over de afloop van de zaak.

Eenmaal binnen controleert de rechter als eerste de personalia van de verdachte, tenzij vooraf nog een tolk geïnstalleerd wordt. Daarna volgen een paar formaliteiten. Wettelijk voorgeschreven is dat de verdachte wordt gewezen op zijn zwijgrecht. Dat gaat meestal gepaard met de mededeling dat de verdachte goed moet opletten (artikel 273 lid 2 Wetboek van Strafvordering). Op zich best vreemd want in genoemd artikel is voorgeschreven dat de voorzitter de verdachte “vermaant” om op te letten. De voorzitter moet iets doen, de verdachte hoeft natuurlijk niets. Het zou ook merkwaardig zijn: de verdachte is vrij om wel of niet te verschijnen ter zitting maar wanneer hij besluit te gaan zou hij vervolgens moeten opletten. Natuurlijk is opletten wel verstandig en goed dat de voorzitter daar op moet wijzen, maar moeten opletten is iets anders.

Vaak staan er verschillende verdachten in dezelfde zaak naast elkaar terecht en dan informeert de voorzitter de verdachten dat hun zaken weliswaar tegelijk maar niet gevoegd worden behandeld. Het blijven afzonderlijke strafzaken, die om praktische redenen tegelijk worden behandeld. Daarbij wordt dan meestal gezegd dat dit betekent dat de verdachten, wanneer zij gaan verklaren, dat alleen in hun eigen zaak doen. Dat is van belang want dat betekent dat de verdachten elkaar door een verklaring ter zitting niet kunnen belasten. Dus wanneer Jantje ter zitting naast Pietje zit en dan bekent dat hij de overval samen met deze Pietje heeft gepleegd kan die verklaring van Jantje niet als bewijs tegen Pietje gebruikt worden. Althans, dat zegt de voorzitter.
Dat kan natuurlijk anders worden wanneer Jantje vervolgens als getuige in de zaak van Pietje wordt gehoord en hij zijn verklaring herhaalt. Maar dat laatste kan hij dan weer vermijden door zich als getuige op zijn verschoningsrecht te beroepen.

Maar hier zit een levensgrote adder onder het gras.
Het is op zich juist dat de verklaring van een verdachte ter zitting in beginsel alleen in zijn eigen zaak wordt afgelegd. Maar buiten de verdachte om kan de rechter beslissen – bijvoorbeeld op vordering van een officier van justitie in bewijsnood – dat deze verklaring “wordt gevoegd” in het dossier van de medeverdachte(n). En wanneer dat gebeurt kan deze verklaring opeens wel als bewijs tegen die medeverdachte(n) gebruikt worden. De verdachte die er ter zitting vrolijk op los verklaart in de veronderstelling dat hij daarmee behalve zichzelf niemand belast – dat zei de voorzitter immers – kan dus bedrogen uitkomen.

Voor mij reden om waar nodig de voorzitter aan te vullen en ter zitting duidelijk te maken dat op zeer eenvoudige wijze de verklaring van mijn cliënt aan de dossiers van de medeverdachte(n) kan worden toegevoegd, los van de wil van mijn cliënt. En dat dat “alleen in eigen zaak verklaren” dus maar zeer betrekkelijk is. Vervolgens krijg ik altijd gelijk. En zo blijkt dat de voorzitter in ieder geval wél een punt heeft wanneer hij aangeeft (“maant”) dat het verstandig is om goed op te letten.

Peter Plasman

Peter Plasman

strafrechtadvocaat bij Plasman Advocaten