Witwassen als alom aanwezig spook

Nieuw beleid
De aanpak van vermeende maatschappelijke ondermijning door criminelen heeft volgens de huidige minster van justitie de hoogste prioriteit en verdient derhalve de allerhoogste aandacht van politie en justitie. Onlangs werd in dit kader een voorstel van de ministers van justitie en van financiën naar de kamer gestuurd, inhoudende dat iedere contante betaling boven de 3000 euro verboden wordt. De NRC van 1 juli 2019 kopte: “ Kabinet wil contant geld terugdringen in strijd tegen witwassen”. Het verbod op grote crashtransacties zou in de plaats moeten komen van de huidige meldplicht voor contante betalingen van boven de 10.000 euro. Naast deze ingrijpende wetswijziging vinden de minsters dat er een “Europese toezichthouder” moet komen om de grensoverschrijdende aspecten van witwassen te kunnen bestrijden.

Legitiem betalingsverkeer in gedrang
Door deze focus en hype omtrent de vermeende enorme omvang van het fenomeen ‘witwassen’ waarschuwt de Nederlandse Bank (die aangeeft de plannen van het kabinet volledig te steunen) inmiddels dat het ‘legitieme betalingsverkeer’ niet mag worden gehinderd.
En daarin schuilt, bij de voorgestelde massale aandacht en aanpak , een enorm risico. Alle contante transacties dreigen zo’n beetje verdacht te worden en het aanwezig hebben van contante gelden, van enige omvang, dreigt altijd gezien te worden als witwassen van crimineel geld.

Praktijk voorbeeld
In mijn strafrechtpraktijk groeit het aantal zaken waarbij mensen verdacht worden van witwas praktijken enorm. In mei 2016 werd er bij mijn cliënt B. een doorzoeking verricht van zijn woning op basis van een anonieme melding dat B. een wapen in zijn woning zou hebben liggen. Met fors geweld, passende bij een zogenaamde vuurwapen gevaarlijke verdachte, werd de doorzoeking verricht en werd cliënt ter plekke aangehouden. Omdat er in de hele woning géén vuurwapen te vinden was werd B. aangehouden op verdenking van witwassen nu er in een snelkookpan in de keuken een bedrag van 55.000 euro werd gevonden en in de vriezer een blok diepgevroren blok met plantenresten , welke later Turkse kruiden bleken te zijn. Nadat er van een overtreding van de wet wapens en munitie alsmede de Opiumwet geen sprake bleek te zijn moest client naar de rechtbank om zich te verantwoorden terzake het in het bezit hebben van een bedrag van ruim 55.000 euro, een Mercedes – Benz alsmede een Rolex en een aantal ringen.
Na uitvoerig speuren moest de officier van justitie reeds op de eerste zitting toegeven dat van enig concreet strafbaar feit niets was gebleken en dat derhalve niet gesteld kon worden dat het geld van enig concreet misdaad afkomstig was. Desondanks handhaafde de officier zijn stelling dat het niet ‘anders kon zijn’ dat het van misdrijf afkomstig was omdat cliënt immers vanwege zijn lage inkomen nooit zoveel spaargeld kon hebben. Namens cliënt was echter reeds in een vroeg stadium tegenwicht geboden in de vorm van een summiere berekening van de herkomst van de gelden. Verschillende erfenissen van overleden familieleden zouden door client beheerd worden alsmede de opbrengst van enkele woningen die door familieleden in Turkije waren verkocht zouden van het aangetroffen bedrag onderdeel uitmaken.
De reactie van de officier van justitie ter zitting was net zo standaard als voorspelbaar; ‘volstrekt onaannemelijk’ en derhalve was er naar de stelling van client door de officier geen enkel (nader) onderzoek verricht.

De rechtbank vond de houding van het OM echter te gemakkelijk en gunde client, in het kader van een eerlijk proces, het voordeel van de twijfel en droeg aan de officier op een nieuwe kasopstelling te doen vervaardigen om basis van de nieuwe door de verdediging verstrekte informatie nu deze niet op voorhand ‘volstrekt onaannemelijk’ op de rechtbank over kwam.
Ook de nieuwe kasopstelling was voor client erg ongunstig waarna deze op de zitting aanvoerde dat de bedragen van levensonderhoud en kleding volstrekt buiten proporties waren. Hij kondigde aan de tijd te willen hebben om zijn werkelijke kosten van levensonderhoud op een rijtje te mogen zetten, waar de rechtbank in mee ging.
Na bestudering van de kasopstelling van de verdediging oordeelde de rechtbank: ‘dat niet kan worden vastgesteld dat het overzicht van verdachte onjuist is en dat de door de politie gehanteerde bedragen een afdoende onderbouwing missen (enkel NIBUD normen) , zodat de rechtbank zal uitgaan van de vaste lasten zoals door de verdachte omschreven’.Nu het OM systematisch had nagelaten ook maar enig onderzoek te doen laten verrichten naar de stellingen van de verdediging en verdachte, oordeelde de rechtbank dat er een integrale vrijspraak diende te volgen van alle witwas verdenkingen nu niet gesteld kon worden dat de met stukken onderbouwde stellingen van verdachte volstrekt onaannemelijk waren.

Wat op het eerste gezicht dus leek op handelingen die pasten binnen de zogenaamde ‘witwastypologieen’ bleek bij nader onderzoek (door de rechtbank en verdediging) een onschuldige en volledig legale verdeling van gelden binnen de familie. Geld waar jarenlang hard voor gewerkt was en waarover gewoon belasting was betaald.

Niets criminele herkomst!

Arthur van der Biezen

strafrechtadvocaat bij Van der Biezen advocaten