Roken in de inrichting een vloek en een zegen

Roken in de inrichting. Voor de ene persoon een eerste levensbehoefte, voor de andere een bron van ergernis en soms zelfs een bron van (de verergering van) medische klachten. Denk maar aan mensen met astma of bronchitis van wie de klachten heviger worden door het inademen van sigarettenrook. Maar ook zonder die gezondheidsklachten ergeren niet-rokers zich geregeld aan de sigarettenrook, omdat rook voor hen stinkt en het inademen van rook sowieso slecht is voor de gezondheid. Hoe zit dit nu juridisch en wat kun je hiertegen doen als je last hebt van het roken van medegedetineerden?

Op grond van artikel 10 lid 1 van de Tabaks- en rookwarenwet is de directeur van de penitentiaire inrichting en de TBS-kliniek verplicht een rookverbod in te stellen, aan te duiden en te handhaven in de inrichting. Die verplichting geldt niet volgens artikel 6.2 van het Tabaks- en rookwarenbesluit i) in ruimten waar geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer (zoals het eigen verblijf van de gedetineerde), ii) in – kort gezegd – speciaal aangewezen rookruimtes die kunnen worden afgesloten en waar dan niet door personeel gewerkt mag worden als er wordt gerookt, en iii) in de open lucht. Verder kunnen in de huisregels van de inrichting nog nadere regels worden gesteld door de directeur over het hoe en waar roken wel is toegestaan en niet.

Over het algemeen kan gezegd worden dat in de inrichtingen het roken op de eigen kamer is toegestaan en op de luchtplaats (de RSJ heeft begin dit jaar zelfs het algehele rookverbod op de luchtplaats van PI Ter Apel vernietigd, omdat dat in strijd was met de Wet). Maar wat als je dan last hebt van medegedetineerden op de afdeling die wel in hun eigen kamer roken, maar bijvoorbeeld met de deur open. Kan je de directeur hier op aanspreken? Jazeker, zo volgt uit de wet- en regelgeving, maar heeft ook de RSJ bepaald in haar uitspraak van 21 mei 2019. Melvin, laten we cliënt voor het gemak even zo noemen, had vanaf het moment van binnenkomst in de inrichting geklaagd over de last die hij ondervond van het roken door medegedetineerden. Er werd namelijk op de afdeling doorgaans met de deur van de kamer open gerookt, personeel rookte mee op de kamers, als er bezoek op de kamers was werd met de deur open gerookt en de hobbyruimte werd ook als rookruimte gebruikt terwijl dat een gemeenschappelijke ruimte was. Na veel hinder en het indienen van klachten bij de beklagcommissie, werd er enige actie ondernomen. Nieuw beleid was dat het roken met de deur open niet meer was toegestaan en personeel mocht niet meer op de kamers meeroken. Maar het punt met beleid is, dat het wel effectief gehandhaafd moet worden. En dat gebeurde niet, althans onvoldoende. Medegedetineerden rookten alsnog met de deuren open en werden daar niet of amper op aangesproken. Bovenal stond er geen sanctie tegenover het overtreden van de huisregels of het rookbeleid. Ook andere factoren die de overlast zouden kunnen verminderen, zoals een lucht afzuiginstallatie, voldeden niet voor dit doel.

De RSJ heeft in een eerdere uitspraak van 14 januari 2019 overwogen dat het af en toe ondervinden van enige last door het roken van medegedetineerden onvermijdelijk is, maar dat dit niet betekent dat de overlast niet zoveel mogelijk moet worden voorkomen. In de zaak van Melvin oordeelde de RSJ uiteindelijk dat het hoofd van de inrichting kon worden verweten dat deze het in de inrichting geldende rookverbod voor de openbare ruimten onvoldoende had gehandhaafd en onvoldoende maatregelen had getroffen om te voorkomen dat klager overlast ondervond door de rook. Toegekend is een tegemoetkoming van € 140,–.

Yvonne van der Hut

strafrechtadvocaat bij Knoester Van Der Hut Alberts & Korteling Advocaten