De schadevergoedingsregeling voor gewezen verdachten moet volwassen worden

Het Wetboek van Strafvordering gaat op de schop en dat is een mooie gelegenheid om eindelijk eens af te rekenen met de ernstige tekortkomingen die de huidige regeling van schadevergoeding voor onterecht ondergane voorlopige hechtenis kent (artikel 89 WvSv).

Wanneer aan de verdachte die in voorlopige hechtenis heeft gezeten geen straf en/of maatregel wordt opgelegd (en geen schuldigverklaring zonder oplegging van straf wordt uitgesproken) kan deze een verzoek tot schadevergoeding indienen. Dat kan ook wanneer er een veroordeling was voor een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis was toegelaten.
Het gaat dan om schade die is ontstaan als gevolg van de voorlopige hechtenis, materieel en immaterieel. Het gaat uitdrukkelijk niet om schade die is ontstaan als gevolg van een onterechte vervolging, denk bijvoorbeeld aan reputatieschade.
De rechter beoordeelt het verzoek naar redelijkheid en billijkheid. Het zal duidelijk zijn dat iemand die uit balorigheid een misdrijf bekent (dat gebeurt) in beginsel geen schadevergoeding krijgt wanneer hij een tijdje vast gezet wordt. Probleem is wel dat rechters in den lande het begrip  “redelijkheid en billijkheid” nogal verschillend invullen waardoor er sprake is van willekeur. Er zijn zelfs rechters die zich ondanks een vrijspraak toch laten verleiden om geen schadevergoeding toe te kennen omdat er wel een stevige verdenking bestond. Bij anderen is een vrijspraak een vrijspraak en dus vergoeding. Ook wordt een beroep op het zwijgrecht nogal eens gebruikt om vast te stellen dat de ex-verdachte zelf schuld heeft gehad aan (het voortduren van) de voorlopige hechtenis. Dat wordt ook wel gezegd van verdachten die tijdens het verhoor aantoonbaar liegen op belangrijke punten. En zelf schuld betekent geen vergoeding. Het ontbreekt echter aan eenduidigheid.

Een volgende tekortkoming is dat voorwaarde voor vergoeding is dat het gaat om de gehele tenlastelegging.
Wanneer een verdachte twee jaar in voorlopige hechtenis zit op verdenking van invoer van drie ton cocaïne én mishandeling om vervolgens te worden vrijgesproken van de cocaïne met een veroordeling van twee maanden voor de mishandeling heeft hij pech. Hij krijgt niets want hij is immers niet van de gehele tenlastelegging vrijgesproken.
Een variant van pech hebben is wanneer één feit ten laste is gelegd, een veroordeling volgt maar een gevangenisstraf wordt opgelegd die (veel) lager is dan de periode van de voorlopige hechtenis. Voor het (veel) te lang zitten kan geen vergoeding worden toegekend. Dit laatste kan zich gemakkelijk voordoen wanneer de rechtbank een hele forse straf op legt en het hof in hoger beroep een aanzienlijke lagere. Juist omdat die straf in eerste aanleg zo hoog was kan het erg lang duren voordat de zaak in beroep behandeld wordt. Andere zaken gaan dan voor. Uiteraard kan tussentijds geprobeerd worden de voorlopige hechtenis beëindigd of geschorst te krijgen maar die mogelijkheid is in ieder geval bij sommige gerechtshoven een fopspeen. In ons land wordt een verdachte vrij gemakkelijk vast gezet. Met grote regelmaat blijkt dat achteraf ten onrechte of te lang geweest te zijn. Tegenover dat gemak hoort een volwassen schadevergoedingsregeling te staan. Die mag niet vatbaar zijn voor willekeur en die moet het recht geven op vergoeding van alle schade die achteraf blijkt ten onrechte te zijn geleden. Bijkomend voordeel zal kunnen zijn dat het vastzetten wat minder gemakkelijk zal gaan, het gaat dan immers (nog) meer geld kosten.
Tot slot, denk er aan dat de schadevergoeding in plaats van geld ook kan bestaan uit het compenseren met nog openstaande straffen, die dan weggestreept worden. Daar moet dan wel in het verzoek om schadevergoeding ex artikel 89 WvSV om verzocht worden.

Peter Plasman

Peter Plasman

strafrechtadvocaat bij Plasman Advocaten